Keizer Constantijn de Grote en de Geloofsbelijdenis van Nicea
Vanaf 324 n. Chr. is Constantijn alleenheerser in het Romeinse Rijk (het huidige Engeland en alle landen rond de Middellandse Zee). In 312 zou hij een visioen hebben gezien van een lichtend kruis, met daarbij de woorden τουτωι νικα ofwel ïn hoc signo vinces (= overwin door dit teken). Hij had zich daardoor afgewend van de Romeinse staatsgoden en toegewend tot de God van de christenen. Sinds het Edict van Milaan (313), waarin godsdienstvrijheid werd geproclameerd, genoten ook zij – na lange tijd van vervolging – deze vrijheid. Maar er blijkt tussen hun bisschoppen – Arius en Athanasius – een nogal felle strijd aan de gang te zijn die voor veel onrust zorgt. Het is Constantijn er alles aan gelegen rust en eenheid te creëren in zijn immense rijk. Hij roept daarom in 325 een concilie bijeen om twee doelen te bereiken:
1. formulering van een oecumenische geloofsbelijdenis, die de twist rond Arius zou beslechten,
2. te komen tot liturgische eenheid: het Paasfeest werd tot dusver op verschillende data gevierd.
De invloed van de keizer op het concilie
Hoe groot de invloed van de keizer op het concilie is geweest blijkt uit onderstaande informatie (zie voor de bronnen het slot van dit artikel).
* De (veraf wonende) bisschoppen krijgen staatsvervoer naar het keizerlijk paleis in Nicea, niet ver van Byzantium. Als de keizer binnentreedt gaat de hele vergadering (plm. 250 personen) staan; hij wacht vóór zijn centraal geplaatste zetel tot allen zijn gaan zitten en houdt een openingsrede in het Latijn. Dit om te benadrukken dat het – hoewel Constantijn het Grieks ook beheerst – een officiële bijeenkomst is van het Romeinse Rijk. De voorzittende magistraat speelde destijds een meer inhoudelijke rol dan tegenwoordig. Constantijn maakt daarvan volledig gebruik; hij streeft naar een inclusieve formulering en één datum voor het Paasfeest. Eusebius van Caesarea wordt uitgenodigd een geloofsbelijdenis voor te dragen. Een strikt schriftuurlijk document, goed ontvangen door de keizer, door Arius geaccepteerd, maar als volstrekt onvoldoende beschouwd door de grote groep die Arius wilde veroordelen. Op dat moment laat Constantijn zijn 'granaat' vallen: hij suggereert dat de relatie tussen de Vader en de Zoon kan worden uitgedrukt met het woord homoousios (= één van Wezen) en wil dit toevoegen. Hierbij heeft hij zich geheel verlaten op het advies van Hosius van Cordoba, zijn adviseur in kerkelijke zaken. De opponenten van Arius hadden dit begrip in eerdere voorstellen nooit gebruikt, integendeel, het was telkens afgewezen. Zij voegen daarom enkele zinnen toe: 'eniggeboren Zoon van de Vader, geboren, niet geschapen'. De keizer verlangt unanimiteit en gebruikt al zijn invloed om twijfelaars te overtuigen. De twee die uiteindelijk tegen blijven worden geëxcommuniceerd. 1)
* De synode besluit wat de keizer dicteert. Ook de wetenschappelijk gevormden onder de aanwezigen brengen het offer van het intellect; het is slechts het gevoel van een plicht tegenover de keizer, de weldoener van de kerk die hen tot deze zelfverloochening beweegt. Men weet zich in het onvermijdelijke te schikken en hoopt dat het bedenkelijke middel het doel van de kerkelijke vrede zal heiligen. 2)
* Homoousios is een term waarbij niemand zich thuis voelde. De fundamentele betekenis van het woord ousia is: wezen, realiteit, werkelijke natuur; ook: individu, materiaal, stof. Een term die uitleg nodig heeft. Doordat een aantal omschrijvingen in de geloofsbelijdenis is opgenomen, is er wel sprake van enige beperking, maar er bleef nog ruimte voor verschillende interpretaties. 3)
* ‘Men was zoozeer onder de indruk van de omkeer van 313 en zoozeer overtuigd, dat Constantijn de van God gezonden redder der kerk was, dat men het als een dwaasheid zou hebben aangevoeld om deze redder het recht te ontzeggen, de kerk ook van haar innerlijke conflicten te bevrijden. Zoo alleen is het te verklaren dat (bijna) allen in 325 de formule homoousios aanvaardden, hoewel niemand er raad mee wist.’ 4)
* Wat we bij Constantijn aan theologie tegenkomen is primitief. In zijn getuigenis komt in de eerste plaats een voorzienigheidsgeloof met een zeer eudaimonistische godsbeschouwing tot uiting. Dat wil zeggen: God loont iemands goede daden en uit Gods weldaden concludeert hij dat hij op de goede weg is. Van verzoening en vergeving is nauwelijks sprake. 3)
* ‘Het was de bekeering van een echten Romein, wien het do ut des (= ik geef opdat jij geeft; voor wat hoort wat) het hart der religie was.’ 4)
* Er is terecht gezegd dat de beslissing van Nicea meer het karakter droeg van een overrompeling dan van een overwinning. 5)
* Hoe breed de afkeer tegen het homoousion in het Oosten was, bleek wel na Constantijns dood (niemand durfde het aan te raken tijdens zijn leven): tekst na tekst werd opgesteld om dit hatelijke woord te elimineren. Het duurde een halve eeuw voordat de term zo was 'ingeburgerd' dat hij in het algemeen acceptabel werd, maar wel met een door vele discussies gewijzigde betekenis. 1)
* De dag waarop een Romeinse keizer werd bekeerd tot het christendom bleek een ongelukkige te zijn voor het joodse volk. Vanaf toen veranderde de tolerantie langzaam maar zeker in vijandschap, die culmineerde in de drastische strafwetten van Justinianus. 3)
[N.B. De latere Rooms-Katholieke Kerk is het jodendom eeuwenlang vijandig gezind gebleven; zij hield er tot in de 20ste eeuw de zogeheten vervangingsleer op na. Gelukkig is er sinds Nostra Aetate (1965) een historische verandering in gang gezet in de relatie van de kerk met het jodendom.]
Paasdatum
Israël viert Pesach vanaf de 14e Nisan (maankalender). Hiervan werd de Paasdatum afgeleid. Voor de bepaling van deze datum in de zonnekalender werd op verschillende manieren gerekend, zodat Pasen op verschillende dagen werd gevierd. Constantijn heeft ter wille van eenheid in Rijk en Kerk één Paasdatum vast laten stellen. Het Paasfeest moest zeker niet tegelijk worden gevierd met Pesach. Zo schrijft hij na het concilie in een brief:
‘Daarom is het vooral onwaardig om voor de heiligste van alle feesten de gewoonte van de Joden te volgen, die hun handen hebben bevuild met de vreselijkste misdaad en die blind zijn van geest (…). Daarom behoren wij niets gemeenschappelijks met de Joden te hebben (…) en derhalve verlangen wij deze modus unaniem aan te nemen, zeer geliefde broeders, om onszelf af te scheiden van het verachtelijke gezelschap van de Joden, want het is werkelijk hoogst beschamend hen te horen pochen, dat wij zonder hun directie (bedoeld is: kalender) het feest niet zouden kunnen houden.’ 6)
2025 – 1700 jaar na dato – reden voor een feest?
In 2025 is internationaal op allerlei manieren (congressen, vieringen, publicaties en dergelijke) aandacht besteed aan concilie en geloofsbelijdenis, telkens in positieve zin. De vraag is, gezien het bovenstaande, of deze benadering terecht is geweest. De rol van de keizer, het invoeren van filosofische begrippen afkomstig uit het Griekse denken, en het schisma met de synagoge maken dat het de vraag is of deze geloofsbelijdenis wel zo geschikt is voor liturgisch gebruik. Op zijn minst is een kritische toelichting nodig. Het Apostolicum is dan beter, zeker als dit van een korte uitbreiding wordt voorzien (om een omissie te herstellen), bijvoorbeeld:
‘Ik geloof in God de Vader, de Schepper van de hemel en van de aarde, Die Abram, Izaäk en Jakob heeft geroepen, Israël Zich tot een volk heeft verworven, Die Zich heeft geopenbaard aan Mozes en de Profeten en Israël eeuwig trouw blijft. Ik geloof in Jezus Christus ... etc.’
(In de versie van ds. J. Snaterse, oud-voorzitter van de Protestantse Raad voor Kerk en Israël van de Protestantse Kerk in Nederland)
1) H.M. Jones, Constantine and the Conversion of Europe, 1962
2) H. Lietzmann in Die Kirche angesichts der konstantinischen Wende, red. G. Ruhrbach, 1976
3) G.J. van der Heide, Christendom en politiek in de tijd van keizer Constantijn de Grote, diss. 1979
4) H. Berkhof, De Kerk en de Keizer, 1946
5) L. Praamsma, De Kerk van alle tijden, dl. I, 1979
6) J. Carroll, Constantine's Sword, the Church and the Jews – a History, 2001
Marinus ten Brinke
oud-voorzitter commissie Kerk & Israël Hervormde gemeente Nunspeet en lid van de Classicale Commissie Kerk en Israël Veluwe
1. formulering van een oecumenische geloofsbelijdenis, die de twist rond Arius zou beslechten,
2. te komen tot liturgische eenheid: het Paasfeest werd tot dusver op verschillende data gevierd.
De invloed van de keizer op het concilie
Hoe groot de invloed van de keizer op het concilie is geweest blijkt uit onderstaande informatie (zie voor de bronnen het slot van dit artikel).
* De (veraf wonende) bisschoppen krijgen staatsvervoer naar het keizerlijk paleis in Nicea, niet ver van Byzantium. Als de keizer binnentreedt gaat de hele vergadering (plm. 250 personen) staan; hij wacht vóór zijn centraal geplaatste zetel tot allen zijn gaan zitten en houdt een openingsrede in het Latijn. Dit om te benadrukken dat het – hoewel Constantijn het Grieks ook beheerst – een officiële bijeenkomst is van het Romeinse Rijk. De voorzittende magistraat speelde destijds een meer inhoudelijke rol dan tegenwoordig. Constantijn maakt daarvan volledig gebruik; hij streeft naar een inclusieve formulering en één datum voor het Paasfeest. Eusebius van Caesarea wordt uitgenodigd een geloofsbelijdenis voor te dragen. Een strikt schriftuurlijk document, goed ontvangen door de keizer, door Arius geaccepteerd, maar als volstrekt onvoldoende beschouwd door de grote groep die Arius wilde veroordelen. Op dat moment laat Constantijn zijn 'granaat' vallen: hij suggereert dat de relatie tussen de Vader en de Zoon kan worden uitgedrukt met het woord homoousios (= één van Wezen) en wil dit toevoegen. Hierbij heeft hij zich geheel verlaten op het advies van Hosius van Cordoba, zijn adviseur in kerkelijke zaken. De opponenten van Arius hadden dit begrip in eerdere voorstellen nooit gebruikt, integendeel, het was telkens afgewezen. Zij voegen daarom enkele zinnen toe: 'eniggeboren Zoon van de Vader, geboren, niet geschapen'. De keizer verlangt unanimiteit en gebruikt al zijn invloed om twijfelaars te overtuigen. De twee die uiteindelijk tegen blijven worden geëxcommuniceerd. 1)
* De synode besluit wat de keizer dicteert. Ook de wetenschappelijk gevormden onder de aanwezigen brengen het offer van het intellect; het is slechts het gevoel van een plicht tegenover de keizer, de weldoener van de kerk die hen tot deze zelfverloochening beweegt. Men weet zich in het onvermijdelijke te schikken en hoopt dat het bedenkelijke middel het doel van de kerkelijke vrede zal heiligen. 2)
* Homoousios is een term waarbij niemand zich thuis voelde. De fundamentele betekenis van het woord ousia is: wezen, realiteit, werkelijke natuur; ook: individu, materiaal, stof. Een term die uitleg nodig heeft. Doordat een aantal omschrijvingen in de geloofsbelijdenis is opgenomen, is er wel sprake van enige beperking, maar er bleef nog ruimte voor verschillende interpretaties. 3)
* ‘Men was zoozeer onder de indruk van de omkeer van 313 en zoozeer overtuigd, dat Constantijn de van God gezonden redder der kerk was, dat men het als een dwaasheid zou hebben aangevoeld om deze redder het recht te ontzeggen, de kerk ook van haar innerlijke conflicten te bevrijden. Zoo alleen is het te verklaren dat (bijna) allen in 325 de formule homoousios aanvaardden, hoewel niemand er raad mee wist.’ 4)
* Wat we bij Constantijn aan theologie tegenkomen is primitief. In zijn getuigenis komt in de eerste plaats een voorzienigheidsgeloof met een zeer eudaimonistische godsbeschouwing tot uiting. Dat wil zeggen: God loont iemands goede daden en uit Gods weldaden concludeert hij dat hij op de goede weg is. Van verzoening en vergeving is nauwelijks sprake. 3)
* ‘Het was de bekeering van een echten Romein, wien het do ut des (= ik geef opdat jij geeft; voor wat hoort wat) het hart der religie was.’ 4)
* Er is terecht gezegd dat de beslissing van Nicea meer het karakter droeg van een overrompeling dan van een overwinning. 5)
* Hoe breed de afkeer tegen het homoousion in het Oosten was, bleek wel na Constantijns dood (niemand durfde het aan te raken tijdens zijn leven): tekst na tekst werd opgesteld om dit hatelijke woord te elimineren. Het duurde een halve eeuw voordat de term zo was 'ingeburgerd' dat hij in het algemeen acceptabel werd, maar wel met een door vele discussies gewijzigde betekenis. 1)
* De dag waarop een Romeinse keizer werd bekeerd tot het christendom bleek een ongelukkige te zijn voor het joodse volk. Vanaf toen veranderde de tolerantie langzaam maar zeker in vijandschap, die culmineerde in de drastische strafwetten van Justinianus. 3)
[N.B. De latere Rooms-Katholieke Kerk is het jodendom eeuwenlang vijandig gezind gebleven; zij hield er tot in de 20ste eeuw de zogeheten vervangingsleer op na. Gelukkig is er sinds Nostra Aetate (1965) een historische verandering in gang gezet in de relatie van de kerk met het jodendom.]
Paasdatum
Israël viert Pesach vanaf de 14e Nisan (maankalender). Hiervan werd de Paasdatum afgeleid. Voor de bepaling van deze datum in de zonnekalender werd op verschillende manieren gerekend, zodat Pasen op verschillende dagen werd gevierd. Constantijn heeft ter wille van eenheid in Rijk en Kerk één Paasdatum vast laten stellen. Het Paasfeest moest zeker niet tegelijk worden gevierd met Pesach. Zo schrijft hij na het concilie in een brief:
‘Daarom is het vooral onwaardig om voor de heiligste van alle feesten de gewoonte van de Joden te volgen, die hun handen hebben bevuild met de vreselijkste misdaad en die blind zijn van geest (…). Daarom behoren wij niets gemeenschappelijks met de Joden te hebben (…) en derhalve verlangen wij deze modus unaniem aan te nemen, zeer geliefde broeders, om onszelf af te scheiden van het verachtelijke gezelschap van de Joden, want het is werkelijk hoogst beschamend hen te horen pochen, dat wij zonder hun directie (bedoeld is: kalender) het feest niet zouden kunnen houden.’ 6)
2025 – 1700 jaar na dato – reden voor een feest?
In 2025 is internationaal op allerlei manieren (congressen, vieringen, publicaties en dergelijke) aandacht besteed aan concilie en geloofsbelijdenis, telkens in positieve zin. De vraag is, gezien het bovenstaande, of deze benadering terecht is geweest. De rol van de keizer, het invoeren van filosofische begrippen afkomstig uit het Griekse denken, en het schisma met de synagoge maken dat het de vraag is of deze geloofsbelijdenis wel zo geschikt is voor liturgisch gebruik. Op zijn minst is een kritische toelichting nodig. Het Apostolicum is dan beter, zeker als dit van een korte uitbreiding wordt voorzien (om een omissie te herstellen), bijvoorbeeld:
‘Ik geloof in God de Vader, de Schepper van de hemel en van de aarde, Die Abram, Izaäk en Jakob heeft geroepen, Israël Zich tot een volk heeft verworven, Die Zich heeft geopenbaard aan Mozes en de Profeten en Israël eeuwig trouw blijft. Ik geloof in Jezus Christus ... etc.’
(In de versie van ds. J. Snaterse, oud-voorzitter van de Protestantse Raad voor Kerk en Israël van de Protestantse Kerk in Nederland)
1) H.M. Jones, Constantine and the Conversion of Europe, 1962
2) H. Lietzmann in Die Kirche angesichts der konstantinischen Wende, red. G. Ruhrbach, 1976
3) G.J. van der Heide, Christendom en politiek in de tijd van keizer Constantijn de Grote, diss. 1979
4) H. Berkhof, De Kerk en de Keizer, 1946
5) L. Praamsma, De Kerk van alle tijden, dl. I, 1979
6) J. Carroll, Constantine's Sword, the Church and the Jews – a History, 2001
Marinus ten Brinke
oud-voorzitter commissie Kerk & Israël Hervormde gemeente Nunspeet en lid van de Classicale Commissie Kerk en Israël Veluwe
terug