Joodse christenen - een bijdrage door Louise Katus

’Nee, ik heb me niet bekeerd, ik verwacht het nog steeds van dezelfde God. Ik heb door Jeshoea een vreugdevoller vooruitzicht dan vroeger.’ Met deze woorden protesteerde Marjorie Eberlé-Gotlib (1914-2009) tegen het feit dat Messiasbelijdende Joden ’bekeerde joden’ worden genoemd. Zij was jarenlang voorzitter van de vereniging Hadderech (afgeleid van ha dèrech, wat ‘de weg’ betekent. Deze benaming komt uit Handelingen 9:2, waar de volgelingen van Jezus ’mensen van die weg’ genoemd worden).
De vereniging Hadderech, in 1928 opgericht, heeft als doel te getuigen van de verlossende kracht die uitgaat van het geloof in Jesjoea Messias, de geliefde zoon van God en koning der Joden. De vereniging wil het besef wekken van de bijzondere plaats die Israël blijft innemen in Gods heilsplan.

Ze zijn er altijd geweest, Joden die Jezus als Messias beleden.
Dat de eerste van hen Petrus was, lezen we in Matteüs 16. Jezus verbood hem om dit tijdens Zijn leven bekend te maken. Na Jezus’ opstanding kreeg het feit wel de volle aandacht.
Het Nieuwe Testament is door christen-joden geschreven. Ook de evangelist Lucas was waarschijnlijk een jood.
De eerste gemeenschap in Jeruzalem na Pinksteren bestond uit Joodse volgelingen van Jezus. Later traden ook niet-joden tot de gemeente toe, waarin ze ten slotte een meerderheid vormden.

In de Vroege Kerk kregen joden het moeilijk. Op kerkelijke vergaderingen (concilies) werd besloten dat joden, als ze wilden toetreden tot de kerk, hun jood-zijn achter zich moesten laten. Zij merkten dat de kerk, om zich aan de volkeren aan te passen, steeds verder verwijderd raakte van haar joodse oorsprong en zich daar uiteindelijk tegen keerde. Zo werd de sabbat vervangen door de zondag, en kreeg Pasen een andere datum. De dagen van de week werden vernoemd naar de zon, de maan en naar heidense goden. De Schriftuitleg onderging Griekse invloeden.
Antisemitisme bleek een vroeg verschijnsel in de kerk. Hadden de joden niet de moord op Jezus op hun geweten? Zo werden ze vroeger beschuldigd van Godsmoord en eeuwenlang vervolgd. Pas in 1965 nam de Rooms-Katholieke Kerk in de verklaring Nostra Aetate afstand van dit leerstuk. Joden werden niet schuldig bevonden aan de dood van Jezus.
Onder joden waren christen-joden ook niet geliefd, zij werden als ‘verraders’ gezien. Dit kwam voor een groot deel door kerkelijke vervolgingen.
In de Tweede Wereldoorlog moesten alle Joden de gele jodenster dragen en werden ze ten slotte afgevoerd naar Westerbork. Daar kregen gedoopte Joden een speciale barak toegewezen, die door de andere Joden ‘Schmaddenau’ werd genoemd (schmadden betekent: dopen).

Twee joodse theologen, de naar Nederland gevluchte Israël P. Tabaksblatt en Max Enker, vormden daar een kleine gemeente. Zij preekten vanaf een geïmproviseerde kansel die bestond uit een dwarsbalk waarover een laken werd gehangen. Ten slotte werden ook zij naar andere kampen afgevoerd, die zij overleefden.

In Israël is het aantal christen-joden groeiende. Nu zijn er ongeveer twintigduizend. In allerlei beroepen kan men hen vinden, ook dienen ze in het leger.

Een predikant maakte met een aantal gemeenteleden een reis naar Israël. Hij wilde een synagoge bezoeken. Daar werd op dat moment een dienst gehouden, maar iemand kwam naar buiten en vroeg wat ze kwamen doen. Dat werd hem uitgelegd. ‘U gelooft dat Jeshoea de Messias is?’ vroeg de joodse man. De predikant knikte. ‘Binnen zijn er meer die dat geloven’, zei de man en hij vervolgde: ’maar om geen verdeeldheid te brengen zeggen ze het niet hardop.’

Louise Katus
lid van de Classicale Commissie Kerk en Israël Veluwe
terug
×